Stukken selecteren op maat, vorm, afmeting, ... en de volgorde en verdeling van de vervormings- en snijbewerkingen bepalen
Het oppervlak schuren, controleren (oneffenheden, uitzicht, ...) en bijwerken
Specifieke materialen vervormen/snijden: Non-ferrometalen
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Zagen, afsteken (met een beitel, zaag, ...)
Het werkstuk op de houder plaatsen en de vervorming of versnijding uitvoeren
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Knabbelen (met een knabbelmachine, ...)
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Plooien, rolbuigen (met een plooimachine, vormmachine, ...)
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Snijbranden (met een snijbrander, plasmasnijder, ...)
Het gereedschap en de schuurmiddelen (slijpstenen, banden, vilt ,…) monteren
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Wikkelen
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Drijven op een bank, vloeidraaien (op een forceerbank, ...)
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Dieptrekken (met een dieptrekpers, ...)
Het verloop van de vervormingsbewerkingen controleren, storingen identificeren en verhelpen
Een oppervlak voorbereiden of afwerken: Opfrissen
Storingen aan een machine opmerken en aanpassingen doorvoeren
Preventief of correctief basisonderhoud van machines of uitrustingen uitvoeren
Specifieke materialen vervormen: Aluminium en legeringen
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Splijten (splijtlijn, splijtmachine, ...)
De afgewerkte producten controleren en de onderdelen markeren
Toezicht houden op het verloop van het productieproces en de werking van de apparatuur
Een oppervlak voorbereiden of afwerken: Gladschuren, polijsten, glanzen
Specifieke materialen vervormen: Koper en legeringen
De schuurparameters regelen
Specifieke materialen vervormen: Diverse non-ferrometalen (lood, zink, tin, ...)
Specifieke materialen vervormen: Ijzer, gietijzer
De apparatuur (valhamer, pers, trekpers, wals, ...) opstarten en op productiesnelheid brengen, en zorgen voor de toevoer of p...
De apparatuur regelen en bijstellen tijdens de productie
De vervormingsbewerkingen bepalen en de staat en de veiligheidsvoorzieningen van de apparatuur controleren
Een oppervlak voorbereiden of afwerken: Trommelen
Specifieke materialen vervormen: Titanium en legeringen
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Rechttrekken
De afgewerkte stukken uitnemen, de kwaliteit controleren en niet-conforme stukken apart houden
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Plooien, welven
Specifieke materialen vervormen/snijden: Ferrometalen
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Trimmen (met een trimmer, ...)
De veiligheidsvoorzieningen van de productie-installaties controleren (werktuigen, montageband, ...)
De machines bevoorraden en het materiaal of de stukken plaatsen
Het stuk reinigen (ontvetten, afkrabben, wassen,…)
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Snijden (met een snijpers, ...)
Scheidende en vervormende bewerkingen uitvoeren: Ponsen (met een ponsmachine, ...)
Een oppervlak voorbereiden of afwerken: Afslijpen, afbramen, met poeder bestrijken
Specifieke materialen vervormen: Staal, inox
Een oppervlak voorbereiden of afwerken: Wrijven, inslijpen